Heeft God gevoel voor humor?

Ooit vroeg een jeugddienstcommissie mij om het in een jeugddienst eens te hebben over humor in de Bijbel. De gegevens zijn niet zo talrijk. Ik noem enkele voorbeelden.
Ik proef humor in het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Abrahams zoon bij Sara die al op hoge leeftijd is. Als zij dat achter het tentdoek hoort, denkt ze: zal ik nog seksueel opgewonden raken, terwijl ik verwelkt ben en ook mijn man al oud is? Bij de gedachte alleen al schiet ze in de lach.
Je zou humor kunnen zien in de opdracht aan de hoge Aramese generaal Naäman, die op voorspraak van een slavin gemaakt Israëlitisch meisje voor de genezing van zijn melaatsheid naar de koning van Israël ging en bij de profeet uitkwam. Hij moest zich zeven maal onderdompelen in het armzalige riviertje de Jordaan.
Op de berg Karmel spoort de profeet Elia de Baälpriesters aan wat harder tot Baäl te roepen om vuur uit de hemel te geven dat hun altaar verbrandt. ‘Misschien heeft hij zich teruggetrokken om zijn behoefte te doen!’
Te denken is aan hoe de profeten de beeldendienst bespottelijk maakten: afgodendienaars nemen een stuk hout, een deel steken ze in brand om zich eraan te warmen en van de rest houwen ze een god.
In Psalm 2 maakt God zich vrolijk over het overmoedige verzet van de vijanden tegen Gods gezalfde koning: hoe verzinnen ze het dat ze van hem kunnen winnen!
Sommige spreuken zijn ook nogal gekruid. ‘Een mooie vrouw zonder verstand is als een gouden ring in een varkenssnuit’ (11:22), en: ‘Wie zich met een ruzie bemoeit die hem niet aangaat, trekt aan de oren van een hond die rustig voorbijloopt’ (26:17).
Je zou ook kunnen denken aan de houding van Paulus toen de verschrikte magistraten van Filippi hem in vrijheid stelden nadat ze gehoord hadden dat hij Romeins staatsburger was. Paulus weigerde te vertrekken indien de hoogwaardigheidsbekleders niet zelf hem en zijn reisgenoot Silas uitgeleide zouden doen.

Uit de Middeleeuwen is de Paaslach bekend, de risus paschalis. De mensen schateren het in een semi-liturgische setting uit. In de kruisiging en opstanding van Jezus heeft God de duivel beetgenomen. Die dacht de overwinning te hebben behaald, maar keek nu beteuterd op zijn neus. God heeft hem een poets gebakken. Maar de vraag is natuurlijk of deze voorstelling van zaken op verantwoorde exegese berust.

Vallen al deze voorbeelden onder de noemer ‘humor’? Misschien is dat een persoonlijke kwestie. Ze kunnen ook worden uitgelegd als uiting van ongeloof, vernedering, verontwaardiging, sarcasme, als treffende vergelijking, of als voorbeeld van op je strepen staan. Met hier en daar wel degelijk een ondertoon van humor.

De vraag of Gód humor heeft is wat mij betreft interessanter en niet zo eenvoudig te beantwoorden. Het antwoord op die vraag heeft ver strekkende gevolgen voor je visie op God. Je kunt voor een antwoord twee kanten op redeneren.

Aan de ene kant kun je zeggen: humor is goed: hij helpt je de moeilijke kanten van het leven te relativeren. Als humor goed is, komt hij van God, want God is de bron van al het goede. Maar als God de bron is van de humor, dan heeft Hij daar affiniteit mee, net als bijvoorbeeld met muziek. Humor, evenals muzikaliteit, hoort bij God. Dan is het moeilijk vol te houden dat Hij geen humor heeft.
Toch is dit argument niet helemaal overtuigend. Seksualiteit is ook in essentie goed en is geschapen door God. Toch kun je daaruit niet afleiden dat Hij zelf een seksueel wezen is.

Aan de andere kant zijn er ook argumenten om aan God gevoel voor humor te ontzeggen. Want wat ís humor? Het is meer dan grappig of geestig zijn. Ten diepste komt humor daaruit voort dat je in staat bent jezelf en je omstandigheden te relativeren. Die zelfrelativering en zelfspot is de voedingsbodem van de Joodse en de Britse humor. Deze humor heeft zowel iets hilarisch als iets mistroostigs; een klein scheutje van dat laatste is voldoende. Deze humor staat als een huis.

Kan vanuit deze achtergrond gezegd worden dat God humor heeft? Het zou betekenen dat Hij zichzelf kan relativeren. Maar wij hebben geleerd over God in absolute termen te denken: Hij is volmaakt in al zijn eigenschappen. Als Hij zichzelf zou relativeren, zou Hij dan geen afbreuk doen aan zijn eigen absolute volmaaktheid? En als wij op een humoristische manier over God zouden spreken, ook al doen we dat vanuit de respectvolle relatie die wij met Hem mogen hebben, wordt dat dan niet meteen spotten? Gaat Herman Finkers op dat punt niet regelmatig over het randje, ook al neemt hij als (bijna) geen andere komiek het geloof serieus?

Als we humor aan God toeschrijven, gaat het beeld dat we van Hem hebben kantelen. Er komt meer aandacht voor zijn menselijkheid. Hij is de God die zich met mensen verbindt en zich met hen vereenzelvigt. Zijn menswording in Jezus tekent Hem in zijn nabijheid. Humor is dan geen aantasting van zijn volmaaktheid, maar wel een van de manieren waarop Hij omgaat met de ambivalenties van het menszijn. Paulus heeft het in zijn brieven aan de Korintiërs bijvoorbeeld over het zwakke van God. Het is geen rare veronderstelling aan te nemen dat God zich daartoe verhoudt, wellicht ook met humor. Dan is er ruimte voor het antwoord: ja, God heeft humor.

Laten we die zienswijze op God toe, dan gaat er iets veranderen in de omgang met Hem. Wordt die ontspannener? Dat zou kunnen. Maar wel vanuit een diepe waardering en eerbied. Het is de moeite waard daar verder over na te denken. Ik volsta met het werpen van een steen in de vijver.

Hoe heb ik dat in de jeugddienst opgelost? De preek besloot met deze woorden: ‘Met God kun je lachen, of dat nu humor heet of niet.’ Daarmee refereerde ik aan Psalm 126: ‘Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of wij droomden, een lach vulde onze mond.’

Tags: