Afscheidswoorden

Op 5 oktober is mij op de najaarsclassis van ‘s-Gravenhage emeritaat verleend. Met andere woorden: ik mag nu met pensioen. Ten afscheid heb ik daarbij de volgende woorden gesproken.

We hoeven er niet omheen te draaien. Binnen de kerken ben ik het grootste deel van de ruim 40 jaar dat ik er predikant mocht zijn door velen gezien als buitenbeentje. Via publicaties kaartte ik thema’s aan waarvan ik vond dat die onvoldoende waren doordacht en die uitermate gevoelig bleken te liggen.

Te denken is aan de leer van het verbond der verlossing, de aard van het Schriftgezag, de ethiek in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder, en vrouw en ambt. Het bleek allemaal controversieel. Een uitzondering vormde mijn boek over de kinderdoop, dat van links tot rechts positief is ontvangen.

Het is niet mijn bedoeling om inhoudelijk om deze thema’s in te gaan. De reden dat ik dit noem is niet alleen dat ik eerlijk wil zijn. De andere reden is dat ik wil duidelijk maken hoe ik in de kerken stond en sta.

Van tijd tot tijd is mij gevraagd: hoe houd je het in die kerk uit? Waarom stap je niet over naar een andere kerk? Het antwoord komt hierop neer dat ik mij in deze kerken geroepen wist. Vier gemeenten heb ik mogen dienen. Viermaal heb ik op de vragen bij de bevestiging geantwoord met: ‘ja, met heel mijn hart.’ Het was mijn roeping en mijn passie om daar het Woord van God uit te leggen en mij ook breder theologisch op de waarheid van het evangelie te bezinnen.

Of het altijd gemakkelijk was? Dat is iets anders. Als ik in het pre-e-mailtijdperk de post met een doffe plof op de mat hoorde neerkomen, bezorgde me dat een steen op mijn maag. Het dieptepunt was nog niet eens dat er aandrang op mij werd uitgeoefend om een boekje uit de handel te nemen. Daar zat nog iets in van het wijzen van een uitweg om uit de kerkelijke impasse te komen. Het dieptepunt was dat mijn lidmaatschap van het curatorium door de rest van dat curatorium en het college van hoogleraren niet langer op prijs werd gesteld. Of ik me maar wilde laten vervangen door mijn secundus.

Later heeft men mij in de marge van het kerkelijke leven meer met rust gelaten. Ik ging door het leven met een soort Kaïnsteken dat mij werd opgeplakt door de mensen. Althans, zo voelde het.

Tegelijkertijd heeft God de Heer het mij gegeven om zonder verbittering met toewijding Hem en zijn kerk te kunnen dienen. Stel je voor dat ik er uit was gegaan. Dan had ik woordbreuk en trouwbreuk gepleegd. Dan had ik een scheur getrokken in de ene kerk van Christus. Ik had me immers concreet van een gemeente waaraan ik verbonden was, afgescheurd. Dan had ik mijn Heer ontluisterd. Die Heer en zijn ene kerk, lichaam van Christus, heb ik zo hoog dat ik dat niet op mijn geweten wil hebben.

Ik dank God dat Hij het mij geeft mijn loop ten einde te kunnen brengen, en dat Hij mij aan kerkenraden heeft verbonden die in mij hun vertrouwen zijn blijven stellen. Ook op classisniveau heb ik met de gaven die mij zijn toebedeeld mijn inbreng kunnen leveren. Daar dank ik ook jullie voor.

Maar mag ik u als mijn broeders op het hart binden: blijf de verbinding zoeken, verbreek de eenheid niet, ook niet als de interpretatie van de Bijbel tot verschillende uitkomsten leidt en je elkaar niet in alles kunt volgen. Verheerlijk je Redder door eenparig Hem de lof te brengen en elkaar tot een hand en een voet te zijn in zijn ene kerk. Houd elkaar vast!