De uitdaging voor de synode van Hoogeveen is niet alleen de diversiteit van de afgevaardigden, maar ook en vooral gehoorzaamheid aan het gezag van de Schrift. Er bestaat veel argwaan of kerken die de vrouw in het ambt accepteren wel voluit recht doen aan het gezag van de Schrift. Als die argwaan niet wordt overwonnen, komt het niet goed. Daarom ga ik er nader op in.
Ongegrond
Vanuit de Rijnsburggroep wordt de argwaan opgestookt. Kerken die welwillend tegenover de vrouw in het ambt staan, zouden het Schriftgezag ondermijnen door het toepassen van ‘de nieuwe hermeneutiek’ (= manier van Bijbeluitleg). Die zou toegeven aan de moderne tijdgeest en niet werkelijk buigen voor wat er staat. Dit is ongegrond. In wat nu volgt ga ik onderbouwen hoezeer voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers buigen voor het Schriftgezag en hoezeer de kritiek daarop is ingegeven door de tijdgeest.
Bijbelse argumentatie voor vrouwelijke ambtsdragers
Drie argumenten die voor de inzet van vrouwen in de ambten pleiten breng ik naar voren. Op de eerste twee ga ik niet nader in, op de derde wel. Ik laat in het midden of de woorden in Galaten 3:28 ‘In Christus is geen mannelijk of vrouwelijk’ implicaties hebben voor de taken die vrouwen mogen verrichten. Ook het argument van de geestelijke gaven aan mannen en vrouwen om te dienen binnen het lichaam van Christus laat ik liggen.
Het eerste argument is de prominente rol die door Jezus en Paulus aan vrouwen wordt toebedeeld in de verkondiging en binnen de gemeente: als eerste getuigen van de opstanding, in het geloofsonderricht (Priscilla), als apostel (Junia, Romeinen 16:7).
Het tweede argument is, dat volgens Paulus de bedoeling van de wet niet door de letter wordt bepaald, maar door de Geest. ‘De letter doodt, de Geest maakt levend (2 Korintiërs 3:6, vergelijk Romeinen 2:29 en 7:6). Deze woorden worden gebruikt met het oog op de mozaïsche wet, maar hebben ook gevolgen voor hoe wij omgaan met het onderricht van Paulus. Tot viermaal toe verklaart hij: ‘Alles is mij geoorloofd’ (1 Korintiërs 6:12; 10:23). Hij voegt daaraan toe: maar niet alles is nuttig, niet alles bouwt op, ik zal mij door niets laten beheersen. Dat is precies waar het Paulus en de heilige Geest om gaat.
Paulus’ beroep op het Oude Testament
Vaak wordt gedacht dat Paulus met zijn aanhalingen uit het Oude Testament onomstotelijk Schriftbewijs levert. Dat is de manier waarop wij met Schriftbewijs omgaan. Maar dan gaan we eraan voorbij dat Paulus een Jood was en in de Schriften was geschoold door de rabbijnen, ook in zijn Schriftberoep. Het Joodse beroep op de Schriften wordt ruimschoots geïllustreerd in de midrasj, het op schrift gestelde debat tussen Joodse geleerden over actuele onderwerpen, waaruit een bijzondere omgang met de Bijbel naar voren komt. De rabbijnen zochten niet naar onweerlegbare bewijsplaatsen, maar naar passages die hun mening ondersteunden. Vanuit een actuele probleemstelling (‘hoe moet men handelen in dit of dat geval?’) wordt het licht van de Schrift gezocht. De actuele context is altijd medebepalend voor de manier waarop de tekst wordt geïnterpreteerd. Daarom klinkt een midrasj in onze oren veelal tamelijk associatief.
Wat betekent dit? Dat men het Schriftberoep van Paulus nooit buiten de concrete context van de vraagstelling kan beschouwen. Maar eerst enkele voorbeelden, ontleend aan Paulus’ Schriftgebruik, en dan bij voorkeur buiten de kwestie van de plaats van de vrouw.
‘De geestelijke rots die hen volgde’
In 1 Korintiërs 10 vergelijkt Paulus de gemeente met het volk Israël, om de gelovigen een waarschuwend voorbeeld te geven van wat er gebeurt als zij ontrouw worden. Een van de overeenkomsten is dat de Israëlieten onder Mozes ‘dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus.’ Dit Bijbelberoep gaat precies volgens het procedé van de midsrasj: binnen een bepaalde probleemstelling – de gemeente van Korinte die dreigt te verslappen – wordt een Bijbeltekst aangevoerd en op een bepaalde manier uitgelegd om de gemeente te manen tot trouw. Dat de rots hen volgde staat niet in de Bijbel, maar gaat terug op Joodse geschiedenis van Schriftuitleg. De toevoeging ‘en de rots was Christus’ is Paulus’ eigen aandeel aan de tekstverklaring, gericht op de bedoeling die hij met de tekstaanhaling heeft. Wij zouden op het idee van die uitleg niet gekomen zijn. Als strikt Schriftbewijs is die voor ons ook niet overtuigend. Wij doen dat anders.
‘Het verbond van de Sinai in Arabië, dat slaven baart’
Ook in Galaten 4 beroept Paulus zich op de Schrift in een concrete kwestie. Het gaat hem om de neiging van de gelovigen in Galatië te luisteren naar leraars die verkondigen dat je als christen je moet laten besnijden en je aan de wet van Mozes moet binden om gered te worden. Paulus ziet dat als een aanslag op de genade van het evangelie. Om die te bestrijden verwijst hij naar de twee zonen van Abraham, Ismaël en Isaak, die staan voor twee verbonden of bedelingen: dat van de slavin Hagar en dat van de vrijgeboren vrouw Sara. Paulus zegt dan: ‘Het ene is het verbond van de Sinai, dat slaven baart – dat is Hagar.’ Hij licht dat als volgt toe: ‘Hagar is de berg Sinai in Arabië.’ Dit is een vrije manier van tekstuitleg die past in de midrasj-methode om teksten associatief actualiserend te verbinden met een probleemstelling die aan de orde is. Ook hier is de uitleg onlosmakelijk verbonden met de context van de probleemstelling waarin Paulus het debat aangaat.
Toepassing op de plaats van de vrouw
Zou het anders toegaan wanneer Paulus spreekt over de plaats van de vrouw in de gemeente? Dat ligt niet voor de hand. In 1 Timoteüs 2 behandelt Paulus een conflict over de rol van vrouwen, die in de betreffende gemeente storend blijkt te zijn. Hij verwijst dan naar Adam en Eva en zegt: ‘Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod’ (vs. 13-14). Weer zo’n typische midrasj, waarin Paulus nu met een gelegenheidsargument het storende gedrag van vrouwen bestrijdt. Ook hier kun je de Schriftverwijzing niet losmaken van de concrete situatie waarin hij spreekt.
Andere manier van Bijbellezen
Dit is inderdaad een andere manier van Bijbellezen dan die welke de tegenstanders van vrouwen in leidinggevende posities hanteren. Maar is hier sprake van ‘nieuwe hermeneutiek’, die zich laat inspireren door de tijdgeest in plaats van door het gezag van de Bijbel? In geen geval. Veeleer hebben degenen die Paulus’ interpretatie van Genesis 2 en 3 beschouwen als tijdloze verwijzing naar de onveranderlijke scheppingsorde zich door de tijdgeest laten besmetten, namelijk door de geest van het rationalisme, dat vanaf de 17e eeuw velen in zijn greep kreeg, ook onder orthodoxe theologen. Dat gaat uit van een onaantastbaar principe waar alles in een volmaakt systeem met alles samenhangt. Hier is dat eeuwige principe de scheppingsorde.
Geen verdachte nieuwe hermeneutiek dus onder de voorstanders van meer ruimte voor vrouwen in de kerk, wel een andere hermeneutiek of manier van Bijbellezen dan de tegenstanders. Die andere manier is echter ingegeven door de Bijbel zelf, zoals het een gereformeerde hermeneutiek betaamt.
Maar hoe ga je samen verder als je elkaar over de goede manier van Bijbellezen niet kunt overtuigen? Daarover gaat deel 3.
